belgische vluchtelingen

Alle onderwerpen met betrekking tot overige tijdvakken
Gebruikersavatar
uhm.....
Lid
Berichten: 15
Lid geworden op: 03 nov 2004, 20:24
Locatie: nunspeet

Bericht door uhm..... »

thnx ik ga op zoek
ik sta liever voor aap dan dat ik er van afstam
Gebruikersavatar
uhm.....
Lid
Berichten: 15
Lid geworden op: 03 nov 2004, 20:24
Locatie: nunspeet

Bericht door uhm..... »

op de vraag of ik wat kon laten zien...... er zitten nog wat typefoutjes in enzo maar dat komt nog wel

Hoofdstuk 1
Waarom kwamen de Belgen naar Nederland in 1914-1918?

Het Belgische leger maakt zich op 31 juli 1914 klaar om op elk moment in actie te kunnen komen. Ook Nederland mobiliseerde rond deze datum. Twee dagen later, op 2 augustus, eist Duitsland een vrije doortocht door België. Als België hier niet op in zal gaan dan betekent dit oorlog. Op 3 augustus wijst België dit ultimatum af. De Fransen gingen er van uit dat de Duitsers in het Noordoosten zouden aanvallen, want België was neutraal, net als Nederland. Maar Duitsland trok om de Franse legers heen en viel België op 4 augustus aan.
In augustus bezet Duitsland grote delen van België, waaronder Brussel. Uit angst voor verzetsstrijders treedt het Duitse leger hard op tegen de Belgische bevolking. Op 8 september viel de vesting Maubeuge (zie fig. 1), daarna besloten de Duitsers de hinderlijke vesting Antwerpen uit te schakelen, dit was van 28 september tot 10 oktober. Op 10 oktober 1914 bezetten de Duitsers de stad Antwerpen. Ook in het Belgische bestuur veranderde de het één en ander, men kreeg onder het Duitse regiem een Duitse equivalent (bijvoorbeeld een Belgische stationschef die samen moest werken met een Duitse stationschef).

In de maanden augustus, september en oktober van 1914 vluchten er ruim 2 miljoen Belgen. De helft daarvan, 1 miljoen Belgen waaronder ongeveer 40.000 militairen, vluchten naar Nederland. Van de 1 miljoen vluchtelingen vluchten er ongeveer 500.000 vluchtelingen via Noord-Brabant, ongeveer 400.000 tot 500.000 via Zeeland en de rest ging via Limburg. In december 1914 was het aantal vluchtelingen in Nederland gedaald tot 125.000. Vanaf 1916 schommelde het aantal vluchtelingen rond de 100.000. Ook andere landen kregen met een stroom vluchtelingen te maken. Engeland kreeg in 1914 ongeveer 210.000 vluchtelingen, dit daalde naar 150.000 vluchtelingen. In Frankrijk waren in juli 1915 ongeveer 205.000 vluchtelingen, dit steeg tot 325.000 vluchtelingen in november 1918.

De eerste kampen waar de vluchtelingen kwamen waren Hontenisse, Bergen op Zoom en Roosendaal (zie fig.2). Dit waren burgerkampen, doordat de eerste stroom vluchtelingen hoofdzakelijk vrouwen en kinderen waren. Alleen de mensen die niet in hun eigen levensbehoefte konden voorzien kregen hulp van de overheid die geld beschikbaar stelden, dit waren er ongeveer 20.000. Deze mensen werden ondergebracht in de volgende kampen: Gouda, Uden, Nunspeet en Ede.
Vanaf de lente van 1915 was de grens tussen België en Nederland afgesloten door een ijzerdraad versperring. Deze versperring was ongeveer 200 kilometer lang en 2 tot 3 meter hoog, de mensen werden afgeschrikt met de versperring doordat er zo’n 2000 volt stroom overheen zat (zie fig. 3). Deze versperring zorgde ervoor dat de Belgische bevolking niet zo makkelijk meer de grens over kon naar Nederland. Dit kan ook een verklaring zijn voor de stijging van het aantal vluchtelingen in Frankrijk. Nederland zeurde er niet over dat ze van de ‘buitenwereld’ werden afgeschermd, ze probeerden er alles aan te doen dat ze neutraal konden blijven. Ook op bijvoorbeeld bombardementen reageerde Nederland niet of nauwelijks. Hoeveel slachtoffers er precies zijn gevallen weet men niet een aantal bronnen zegt dat het er ongeveer 3000 waren, maar echt zeker is dit niet.

Afbeelding
Fig. 1: kaart van de posities van de strijdende legers bij de Duitse inval in België in augustus 1914


Fig.2: plaatsen waar gevluchte Belgische burgers en militairen waren ondergebracht in kampen (deze krijg ik niet op internet want die heb ik ingescant en dan weet ik niet helemaal hoe het moet:S)

Afbeelding
Fig. 3: De Elektrische Draad liep helemaal langs de grens tussen België en het neutrale Nederland (deze herkennen jullie vast wel :wink: )
ik sta liever voor aap dan dat ik er van afstam
Gebruikersavatar
uhm.....
Lid
Berichten: 15
Lid geworden op: 03 nov 2004, 20:24
Locatie: nunspeet

Bericht door uhm..... »

we hebben pws af ondertussen :lol:
dus ik dacht misschien willen jullie nog meer zien??? nou hieronder volgt het grootste gedeelte:


Hoofdstuk 2
Hoe kwamen de Belgen in 1914-1918 in Nunspeet terecht?


Nederland
Toen de oorlog net was uitgebroken, vluchtten de Belgen massaal de grens over. In Nederland begon de opvang bij de bevolking zelf. Op 9 september 1914 verklaarde Herbert Samuel, dat was de minister die bevoegd was voor de vluchtelingen in Engeland, in een toespraak voor het Lagerhuis dat de Britse natie bereid was om alle vluchtelingen, die op haar grondgebied kwamen, onderdak te verlenen. Enkele dagen daarna zei de Nederlandse koningin in de troonrede dat Nederland hetzelfde zou doen. Dit betekende dat er hulp ingeroepen werd van particulieren, maar na een paar maanden was de bevolking de vluchtelingen zat. 1 miljoen vluchtelingen onderhouden in een land dat zelf 6,3 miljoen inwoners telt was niet te doen. Ook de meer dan 32.000 Belgische soldaten vormden een probleem, zij moesten eigenlijk als krijgsgevangenen in Nederland gehouden worden. Vanaf half oktober probeerde de Nederlandse regering de hulp in te roepen van het Antwerpse stadsbestuur. Dit werkte uiteindelijk, doordat er eind 1914 duizenden vluchtelingen de Belgische grens weer overgingen. De vluchtelingen die toch perse wilden blijven waren een last voor de bevolking van Nederland. In oktober 1914 werden alle vluchtelingen verzameld. In Bergen op Zoom werden 2 enorme tentenkampen gebouwd, hier konden ongeveer 4.000 vluchtelingen opgevangen worden. In Roosendaal werden vluchtelingen opgevangen in de leegstaande suikerfabriek ‘Java’, de fabriek kon aan 1600 personen onderdak bieden. Ook in Hontenisse (Zeeuws-Vlaanderen) konden ongeveer 4.000 vluchtelingen opgevangen worden in tentenkampen, en omdat de winter ook bijna begon, begon men vast met de bouw van barakken. De gebouwen bij het spoorwegstation van Baarle-Nassau werden ook geschikt gemaakt als onderkomen voor Belgische vluchtelingen. Zo ontstonden de vluchtoorden. De vluchtelingen die niet voor zichzelf konden zorgen zag de Nederlandse overheid als onvrij, daarom deelde men de armlastige belgen in drie groepen: de gevaarlijke of ongewenste elementen, de minder gewenste en de fatsoenlijke behoeftigen. De Belgen boden veel weerstand tegen deze indeling. Vooral in Amsterdam was deze zeer groot.

Nunspeet
In augustus 1914, leek het er op dat de oorlog nog lang niet afgelopen was. Er zouden veel vluchtelingen opgevangen moeten worden voor een langere tijd. De gemeentes moesten ook opgeven aan de Provinciale overheid of ze vluchtelingen wilden herbergen. In Nunspeet waren er toen nog geen vluchtelingen. De gemeente Nunspeet heette toen nog gemeente Ermelo al stond het gemeentehuis in Nunspeet. De burgemeester was mr. C.W.F. baron Mackay. Toch zaten de vluchtelingen al heel snel in de buurt van Nunspeet. In september 1914 zaten er al vluchtelingen in Oldebroek. De overheid had haar voorzorgsmaatregelen getroffen. In oktober ontvingen de gemeentes instructies over het registreren van de Belgische vluchtelingen. Van elke vluchteling moest het volgende worden geregistreerd: naam, voornaam, burgerlijke staat beroep en de laatste woonplaats. Op 1 oktober, toen de vluchtelingenstroom echt opgang kwam, moesten de burgemeesters lijsten laten maken van vluchteling-vriendelijke burgers, die bereidt waren om te helpen. In oktober was er in Nunspeet al een Vluchtelingen Comité. In Nunspeet waren particulieren bereidt om bij elkaar ongeveer 100 vluchtelingen tijdelijk op te vangen. Op de Veluwe was dit best gastvrij omdat de mensen het zelf ook niet zo breed hadden. Dit opvangen gebeurde voor max. 30 cent p.p/ p.d., op 31 oktober word dit 15-20 cent per kind en 30-35 cent per volwassene. Pas op 19 oktober 1914 waren er ook vluchtelingen in Elspeet gesignaleerd. Dat blijkt uit onderstaand briefje van de veldwachter:

Eind oktober waren er officieel 176 vluchtelingen in Nunspeet. Zij zaten verspreidt over een tiental adressen. Dit was een noodoplossing omdat het onpraktisch en onoverzichtelijk was. Ongeveer half november attendeerde de burgemeester de Commissaris der koningin op de mogelijkheid om de heidevelden te gebruiken voor het opzetten van een vluchtoord. Ongeveer 10 dagen later werd per telefoon het aantal op korte termijn (uiterlijk 1 december) te verwachtten vluchtelingen opgegeven. Dus binnen 10 a 12 dagen moest er voor minimaal 4.400 vluchtelingen uit Amsterdam plaats zijn in barakken of andere gebouwen. Nunspeet kreeg de gevaarlijke of ongewenste en de minder gewenste behoeftigen. Op 29 november 1914 zouden er 600 vluchtelingen uit Amsterdam uit loods D aan de Handelskade overgebracht worden naar Nunspeet. In totaal gingen er 425 Belgen mee met de trein, omdat veel Belgen het er niet mee eens waren en een onderkomen in Amsterdam zochten. Uiteindelijk kwamen er maar 320 Belgen aan in Nunspeet. Doordat er zo weinig Belgen naar vluchtoorden wilden kwamen deze ook niet vol te zitten, vluchtoord Nunspeet was namelijk gebouwd voor 13.000 vluchtelingen maar er zaten er maximaal 7.050 tijdens de oorlog. In december 1914 werden de vluchtelingen uit de vluchtoorden Veenhuizen en Oldebroek overgeplaatst naar Vluchtoord Nunspeet. Het vluchtoord kreeg nu een soort strafkampfunctie. Uiteindelijk steeg het bewonersaantal in kamp Nunspeet niet boven de 7.050, dit was toch nog wel veel omdat het inwonersaantal van Nunspeet in die tijd 4.000 was. Op 31 december 1914 stuurde Cort van der Linden een ministeriële beschikking naar alle burgemeesters van de plaatsen waar vluchtoorden stonden. In deze beschikking stond dat ‘alle publieke vrouwen, die zich buiten de echt met mannen afgaven’, ook al was deze buitenechtelijke seksuele omgang buiten hun wil om, overgebracht zouden worden naar het vluchtoord Nunspeet. Op deze manier kreeg alleen de vrouw ‘straf’ voor de buitenechtelijke seksuele omgang. Omdat de minister wel in de gaten had dat er misbruik zou kunnen gemaakt worden van deze regel voegde hij er nog 2 eisen aan toe. Deze 2 eisen waren: de kampcommandant in Nunspeet moest 24 uur van tevoren op de hoogte zijn van de komst van de vrouw en er moest een brief met uitleg over de ‘strafbare’ daad mee opgestuurd worden. De vrouwen kwamen voor onbepaalde tijd in het vluchtoord Nunspeet. Als zij weer ‘normaal’ konden functioneren, gingen zij terug naar waar ze vandaan kwamen. Op deze manier was het een komen en gaan in vluchtoord Nunspeet. Wel kwamen er vrouwen/ meisjes die eigenlijk zonder enige reden door hun ouders werden gestuurd. Dit kwam dan vaak omdat ouders het niet eens waren met de vriendjeskeuze van hun dochter, ze verzonnen een smoes en zo werd dochterlief ‘afgevoerd’ naar vluchtoord Nunspeet.

Terugkeer
In november 1918 was de eerste wereldoorlog afgelopen. Eind november werden er voorbereidingen getroffen voor het terugsturen van de vluchtelingen naar België. Vluchtoord Nunspeet werd verzocht om vanaf 22-1-1919 tot 22-2-1919 per dag ongeveer 200 vluchtelingen per trein terug te sturen. Dit was 2 maanden nadat de oorlog was geëindigd. Op 22 februari 1919 werden de laatste zieken (27 in totaal) per trein naar België vervoerd. Dit was onder begeleiding van de regeringscommissaris en 10 medische krachten. Toen zij in Belgie aankwamen was er geen belgische arts die de zieken opwachtte. Na deze laatste terugkeer was het hele vluchtoord leeg.


Hoofdstuk 3
Hoe was het om in “de Belgenkamp” te leven en hoe zag
het eruit?

Ongeveer half September heeft de burgemeester de plek aangewezen waarop het vluchtoord gebouwd zou moetenworden. Tien dagen later werd doorgegeven hoeveel vluchtelingen Nunspeet in totaal kon verwachten in het vluchtoord. In eerste instantie werd het kamp voor 13.000 personen opgezet. De firma Rutgers heeft in 1915 een boekje

Voor de bouw van de barakken werden er contracten gesloten met twee bedrijven: Fa. D. Blankevoort & Zn. uit Amsterdam en N.V. Technisch Bureau van H. Rutgers uit Den Haag.
Op 29 oktober werden de contracten getekend. Er zouden in totaal zoveel barakken worden gebouwd volgens dat contract:

- 16 barakken van 14x18 meter
- 1 barak van 13x5 meter
- 1 barak van 26x7 meter
- 1 barak van 30x6 meter
- 1 barak van 43x5 meter
- 1 barak van 60x14 meter
De kosten worden geschat op F42.600,- en de oplevering moest minimaal in 21 dagen plaats vinden nadat er opdracht gegeven was.
De eerste barakken werden gebouwd van asbest en hout.

In eerste instantie werd het kamp voor 13.000 personen opgezet. De firma Rutgers heeft in 1915 een boekjeuitgegeven met een aantal foto’s, bouwtekeningen en een opzet van een plattegrond. Het kamp was in 4 dorpen ingedeeld:
- De dichterswijk.
- Een wijk met namen van leden van het Belgisch Koninklijk Huis.
- Een wijk met namen van leden van de Nederlandse Koninklijk Huis, zeehelden en schilders.
- Een wijk met namen van Nederlandse staatslieden en andere prominente Nederlanders.

Elk dorp had een kinderhuis (crèche), een keuken, waszalen, slaapzalen en drie of vier eetzalen. Verder had elk dorp een schoenmakerij, dameskledingateliers, een lichtcentrale, een marechausseekazerne en een polikliniek. Nunspeet had twee speciale afdelingen: de Barak “Congo”, speciaal voor de gestraften. En de barak “Jan Steen”, speciaal voor prostituées en ook deze barak had een afdeling voor gestraften. Rondom het kamp liep een draadversperring.

Het vluchtoord is uiteindelijk heel anders geworden dan eerst de opzet was. dat kwam onder andere doordat het uiteindelijke aantal vluchtelingen veel lager lag dan eerst werd verwacht. Verscheidene barakken werden daarom doorverkocht aan andere oorden of kazernes. De plattegrond van hoe het kamp eruit heeft gezien is dus moeilijk te maken, want gedurende de hel periode is er in het kamp gebouwd en verbouwd, gesloopt, verplaatst, vergroot en verkleind. De oorspronkelijke plattegrond is niet meer in het archief te vinden, maar wel een plattegrond van hoe het kamp er waarschijnlijk aan het einde van de oorlog uit zag. De plattegrond is afkomstig uit een scriptie die geschreven is door dhr. De Bruin.

De vluchtelingenkampen stonden onder bestuur van de regering en deze had het bestuur overgelaten aan een regeringscommissaris. De commissaris was dan weer verantwoording schuldig aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Nunspeet heeft verschillende regeringscommissarissen gekend. Vanaf het allereerste begin tot aan 1 augustus 1915 voerde dr. H.P.N. Muller het bevel. Na hem was dat lt. –gen. KNIL b.d. Drijber.Ergens in de loop van 1918 werd zijn taak weer overgenomen door de heer Simon, die bleef totdat het kamp opgeheven werd. Over hem zijn verder geen exacte gegevens te vinden.

De bewaking op het kamp bestond uit twaalf man die zowel te paard als te voet het, dag en nacht het kamp bewaakten. Verder moesten ze de orde en rust in het kamp handhaven. Patrouilles van twee of meer man liepen samen rondes in het kamp. Op het terrein van het kamp bevond zich een marechausseekazerne, maar die was niet zo groot.

Vooral in het begin was het leven in “de Belgenkamp” kei- en keihard. De aanwezige voorzienignen waren niet voldoende voor de mensen. Het sterftecijfer lag vooral bij de kinderen erg hoog. De angst voor het vluchtoord Nunspeet bleef hierdoor bestaan. Begin december 1914 stierven er al meteen vier Belgische kinderen en in de loop van de maand liep dat aantal op tot we tweeëntwintig.

De kindersterfte bleef hoog. Er waren ook al veel besmettelijke ziekten die steeds bleven door de voortdurende doorstroming van vluchtelingen van het ene naar het andere kamp.

In de maand februari 1915 zijn er in totaal 3 Nunspeetse jonge kinderen en 62 Belgische kinderen overleden. Het officiële sterftecijfer onder de kinderen in het vluchtoord lag op zo’n 64.1% tegenover 14.4% in de hele gemeente.
Dit sterftecijfer bezorgde vluchtoord Nunspeet een slechte naam.
Van de voorzieningen die er waren werden door de Belgische vluchtelingen wel goed gebruikt. De vluchtelingen moesten twee dagen wachten voor ze terecht konden in de polikliniek.

In 1917 lag het sterftecijfer wat lager, maar nog steeds veel te hoog. Er was sprake van difterie en in februari 1917 brak er een mazelenepidemie uit waaraan veel mensen overleden, vooral kinderen. Dit kwam waarschijnlijk door de grote toe- en uitstroming van de vluchtelingen van het ene naar het andere kamp.

Ondanks al deze negatieve dingen werd er extra aandacht geschonken aan zwangere vrouwen. Dit was allemaal te danken aan de gemeentehuisarts dr. Schut, die in dienst trad bij de geneeskundige staf van het kamp in Oldebroek. Hij regelde van alles en kreeg daarbij de hulp van burgemeester Mackay. Hij kreeg het volgende voor mekaar:
De verzorging een maand voor en na de bevalling bij particulieren, deze ontvingen hiervoor 80 cent per dag en na de geboorte nog eens 50 cent per dag. Hierbij kwam een eenmalige vergoeding van f2,50 voor de kraamwas en f5,00 voor een vroedvrouw.

Maar ook deze maatregelen verliepen ook niet altijd goed, vooral het vervoeren van de kraamvrouwen naar de particulieren nam nog wel eens problemen met zich mee.

De grootste oorzaken van het hoge sterftecijfer zijn een combinatie van de voortdurende epidemieën, de slechte hygiëne en medische voorzieningen, de aanwezigheid van de vatbare kinderen en ouderen, de voordurende doorstroming van mensen.

De regering stimuleerde het onderwijs zoveel mogeljik, niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen. Zo hebben veel Belgische volwassenen leren lezen en schrijven in Nederland. In het kamp in Nunspeet bevonden zich drie scholen: een bewaarschool, lager onderwijs en vakonderwijs. Het aantal leerkrachten over de scholen verdeeld bedroeg in totaal 37.


Een korte omschrijving van het dagelijks leven in het kamp:
Het uur van reveille werd door de regeringscommissaris per jaargetijde vastgesteld. Op het signaal van de reveille (luiden van de klok) stonden de bewoners van het vluchtoord op en kleeden zich aan. De opzichters hielden àppel over de aan de hun toevertrouwde groep en brachten daar rapport over uit aan de zaalchef. De zaalchef leverde daarna het rapport in bij de commissaris van het kamp. Na afloop van het àppel werden de bedzak en het hoofdkussen opgeschud en de dekens gevouwen en op het kussen gelegd. Daarna werden de slaapzalen gelucht en schoongeveegd. De zaalchefs waren hier verantwoordelijk voor en die controleerden dan ook of het goed gebeurde. Nadat de bedden opgemaakt waren moesten de bewoners van het kamp zich wassen in de daarvoor bestemde waslokalen. De zaalchef gaf iedere bewoner een bepaalde hoeveelheid die ze per dag mochten gebruiken. De zaalchefs kregen deze voorraad zeep aangereikt door de magazijnmeester. Elke dag moest het terrein om de slaapzalen en de daarbij horende privaten schoongemaakt worden. De regeringcommissaris bepaalde de uren waarop de maaltijden genuttigd werden. De commissaris van het kamp bekeek de hoeveelheid en kwaliteit van het eten voordat het door de bewoners genuttigd werd. Op het signaal van de zaalchef gingen de bewoners van het kamp mee naar de keuken waar ze hun maaltijd op moesten halen. Dit namen ze mee naar de eetzaal waar ze het eten nuttigden. De zaalchefs keken of de verdeling van het voedsel eerlijk was en of de orde en rust gehandhaafd bleef tijdens de maaltijden. De regeringscommissaris zag erop toe dat degenen, die een moment stilte in acht wilden nemen alvorens de maalijd te nuttigen, de kans daarvoor kregen. De regeringscommissaris stelde de uren vast waarop het licht in het kamp gedimd moest zijn in de verschillende zalen. De zaalchefs moesten hier toezicht op houden.
Elke dag, na het morgenàppel, maakten de zaalchefs een opgave van de bewoners die zich ziek hadden gemeld. Deze opgave gaven zij aan de commissaris die de opgave weer aan de dokter van de wacht gaf. De zieke werden op vastgestelde tijden dorpsgewijs naar de polikliniek gebracht om daar onderzocht te worden door de dokter. Daarna werd bepaald of de zieke werd behandeld, of ter opname naar het ziekenhuis werd gebracht. De goederen in het ziekenhuis werden zo nodig aangevuld door de betrokkene zaalchef, die de producten bij de magazijnmeester ophaalt.


Hoofdstuk 4
Hoe dacht de bevolking van Nunspeet over de komst van de
Belgen?


De bevolking bood veel weerstand tegen de kampen, ze vonden dat het te veel leek op de beruchte concentratiekampen in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Daarom gaf de regering ook de voorkeur aan ‘vluchtoord’ of ‘Belgisch dorp’. Het was een zielig vertoon om te zien hoe de vluchtelingen aankwamen bij de vluchtoorden, zoveel ellende als dat ze tegen kwamen.

Op 1 oktober moesten de gemeentes de vluchteling-vriendelijke burgers laten registreren. Hier gaven heel wat mensen gehoor aan in de gemeente Ermelo. Hoewel ze het zelf niet breed hadden wilden ze toch een aantal vluchtelingen in huis opnemen. Ook werd er een oproep gedaan aan de winkeliers en particuliere ondernemingen of zij misschien hulpgoederen wilden inleveren, zo werden de lasten van de toch wel arme bevolking van Nunspeet wat gedekt. Bij elkaar werden er 176 vluchtelingen opgevangen verspreid door Nunspeet. Dit vonden de mensen die de vluchtelingen opvingen nogal onpraktisch, onoverzichtelijk en daarom moest er een andere oplossing komen. Daarom en omdat er plaats voor was, kwam het vluchtoord Nunspeet er. Zij kregen uiteindelijk de ‘minder gewenschte’ elementen. Hier waren de Nunspeters natuurlijk niet blij mee, al dat gespuis in het toch wel nette dorpje Nunspeet, op de rustige Veluwe. L. Bosch, onderofficier, hij was werkzaam bij de Geneeskundige Dienst, werd overgeplaatst naar vluchtoord Nunspeet. Hij zei: “men krijgt wel eens de indruk dat in het Nunspeetse kamp de hele onderwereld van België is ondergebracht.” Toch wilde de bevolking de Belgen graag helpen.
De Belgische vluchtelingen, die in vluchtoord Nunspeet zaten, waren de Nunspeters zeer dankbaar voor hun gastvrijheid. In het Noord Veluws Dagblad van 11 februari 1967 stond een gedicht die, zo staat het er, op 22 oktober 1914 als ingezonden brief naar een onbekend blad was gestuurd. Het gedicht gaat als volgt:

BELGEN DENK ERAAN!!
Na vrees en schrik, na zoveel bange nachten,
Kwamen hier door Godes hand geleid,
Scharen Belgen, uitgeput van alle krachten
Elk was hier, Goddank, tot onze hulp bereid
Wie onzer heeft er niet eens steun gevonden
In’ t gulle, gastvrij, helpend Nederland
Wie is er niet met ’t hart er aan verbonden?
Wie voelt er niet nu den ware vriendschapsband?
Wat rustig, zalig en gelukkig leven
Is het hier na ramp en oorlogswee
Hoe troostend wordt ons hier al gegeven,
Hoe deelt een ieder met ons lijden mee?
Daarom wil ik vooral U zeggen
Gij Belgen, toont, nu wie gij zijt
Wil d’ handen in de schoot niet leggen
Zij steeds tot alle wederdienst bereid
Wil Uw dankbaarheid thans tonen.
Gij zijt opgebeurd, versterkt, gevoed,
Wil de gastvrijheid meteen belonen
En doe al wat doenbaar is, met moed
Help daar waar Uwe hulp maar kan baten
Biedt U aan, hetzij dan ook gelijk voor wat
Ontlast dus alzoo enigermate
Onz’ weldoeners, wiens hulp gij zo nodig had.
Want denk er aan, ’t Is nooit in Uw vermogen
Zoveel te doen, wat zij hebben gedaan
Voor Uw behoud en daarom moet gij pogen
Op tijd en stond Uw helpers bij te staan.
Bid dankend God! Dankt Nunspeets Burgervader!
Dankt ’t Comité! Dankt dames heren al
In Uw gebeden, gedenkt ze al te gader
Schenk hun voldoening hier en overal
Belgen doe dus wat ‘k U hier kom vragen
Doe het, dan vergeet g’ ook wis Uw leed
Eens toch komen er wel betere dagen
Herhaal dan steeds
LEVE NUNSPEET


De Belgen vonden de Nunspeters erg gastvrij, dat blijkt uit bovenstaand gedicht. Er staat ook in dat er veel troost werd gegeven door de plaatselijke bevolking. In een artikel uit de Stentor van 14 oktober 2004, wordt gezegd dat de Nunspeetse bevolking erg moest wennen aan de kampbevolking, vooral voor de bierdrinkende vrouwen. Het vluchtoord had dan ook een slechte reputatie. Volgens de regeringscommissaris kwam dit door de aanvangsmoeilijkheden en doordat er ‘het mindere soort’ woonde. Hij veranderde dit door er ‘vrolijke gasten’ van te maken, dit klonk beter in de oren bij veel mensen. In het Nieuws en Advertentieblad, de krant van Nunspeet indertijd, staan geen echte meningen over de Belgische vluchtelingen. Op economisch gebied had Nunspeet er wel voordeel aan. Door al de Belgen in het vluchtoord in Nunspeet groeide de werkgelegenheid in het jaar 1914 enorm. In het jaarverslag van 1914 staat: “1914 was een goed jaar.” Dit was natuurlijk ook positief voor de bewoners van Nunspeet. In het jaarverslag van 1915 staat: “met het oog op het vluchtoord Nunspeet heeft de burgemeester geacht met medewerking van de inspecteurs van de rijksveldwacht, een wacht te organiseren, net zoals in Harderwijk.” Dit zegt wel wat over de situatie in het kamp. Waarschijnlijk probeerden veel Belgen buiten het vluchtoord te komen, terwijl dit alleen maar weggelegd was voor enkele mannen die buiten het vluchtoord werkten. De rest van de Belgen moest binnen de hekken van het vluchtoord blijven om zo te voorkomen dat ze daarbuiten bewoners van Nunspeet gingen lastigvallen. Tussen de bevolking van Nunspeet en de bevolking van het vluchtoord was dan ook niet veel contact. Behalve dan de Belgische arbeiders die buiten het vluchtoord werkten en andersom. Ter bescherming van de Nunspeetse bevolking werd er een wacht aangesteld. De Nunspeetse bevolking had dus naar alle waarschijnlijkheid in het begin best last van de Belgische vluchtelingen, door de wacht werd dit waarschijnlijk aanzienlijk verminderd. De criminaliteit onder de Belgische bevolking was niet groot. Er waren ook maar 2 cellen voor elk 2 arrestanten in het wachtlokaal. De barak ‘Jan Steen’ had geen planken vloer en moest dienst doen als gevangenis. De Nunspeetse bevolking had dus geen last van zware criminaliteit, er kwamen wel kleine dingen voor, maar dit waren met name kleine vernielingen in het vluchtoord zelf. Dit kwam natuurlijk doordat de vluchtelingen het vluchtoord niet uit mochten. In het jaarverslag van Nunspeet van 1916 staat dat door de firma J.E. Schaak & Co te Nunspeet en het vluchtoord Nunspeet het water van de Oosteinder of Molenbeek erg vervuild was. Dit werkte natuurlijk ook door bij de Nunspeters. Het water van de Molenbeek werd gebruikt als waswater e.d. dus dit werkte negatief op de bevolking van Nunspeet. Een groot voordeel die men van de vluchtelingen had, was dat de Eperweg tot aan Tongeren werd verhard. Deze mannen mochten buiten het kamp werken en jongens moesten tussen de middag rennend het eten brengen omdat het dan nog warm zou aankomen. De mannelijke vluchtelingen deden dit samen met een aantal Nunspeters. En aan het eind van de oorlog was de hele Eperweg verhard. Al met al vonden de Nunspeters het wel best dat er een vluchtoord was in Nunspeet. Ze merkten er toch niks van omdat het ruim een kilometer uit de bebouwde kom lag en de vluchtelingen mochten niet zomaar buiten het kamp komen. Behalve dan de arbeiders die buiten het dorp werkten. Deze arbeiders verlichtten alleen het werk van de Nunspeetse bevolking, die hadden hier dus alleen maar profijt van. Overlast van de vluchtelingen had men ook niet omdat het vluchtoord een compleet dorp was en er dus alles hadden wat ze nodig hadden.
Op 11 januari 1919 werd het Belgenmonument onthuld op de oude begraafplaats aan de Eperweg. Je kunt dus wel merken dat de Nunspeetse bevolking de Belgische dankbaarheid waardeerden anders zouden ze het monument niet hebben geplaatst. Dit monument herinnert ons nog steeds aan de Belgen en aan de gastvrijheid van het dorpje Nunspeet.
ik sta liever voor aap dan dat ik er van afstam
Plaats reactie