Het raadsel rond de verdwenen Polen

Over het hier en nu (nieuwsberichten, actualiteiten en dergelijke, in relatie met WOII)

Moderator: Mr Mojo Risin

Plaats reactie
Gebruikersavatar
Roel R.
Lid
Berichten: 5675
Lid geworden op: 21 sep 2003, 01:50
Contacteer:

Het raadsel rond de verdwenen Polen

Bericht door Roel R. »

Gepubliceerd op: 21 januari 2005

In Culemborg zouden twintig tot dertig onschuldige Polen begraven liggen: doodgeschoten in de Tweede Wereldoorlog door Nederlandse troepen. Deze bewering van twee amateur - historici veroorzaakte veel opschudding. Een reconstructie.

'Ede in Wapenrok', het boek van Evert van de Weerd en Gerjan Crebolder, gaat over de Veluwe in oorlogstijd. Maar de 490 pagina's die zij over dit onderwerp schreven, baarden minder opzien dan het hoofdstukje over een groep Polen die in Culemborg gefusilleerd zou zijn.

Dát er op de eerste oorlogsdag in mei 1940 een groep Polen in Nederland moet hebben rondgezworven staat wel vast. In gevechtsverslagen van Nederlandse commandanten komen fragmenten over hen voor. De rapporterende militairen gingen ervan uit dat het krijgsgevangenen waren, ontsnapt uit een Duits kamp en gevlucht naar Nederland.

Ze duiken de 10e mei 1940 op te midden van het oorlogsgeweld. Die ochtend zijn Duitse troepen Nederland binnengevallen. De Polen, het zijn er ongeveer dertig, worden door het legeronderdeel huzaren van Boreel aangetroffen langs de spoorlijn Wolfheze-Oosterbeek. De mannen maken een miserabele indruk. Ze zijn slecht gekleed, mager en onverzorgd en sommigen lopen zelfs blootsvoets.

Bij Hotel-Pension Langenberg in Ede wordt zelfs een foto van de Polen gemaakt. Ze worden 'bewaakt' door huzaren die op de foto overigens geen gespannen indruk maken. Het lijkt een bijna gemoedelijk tafereel. Vanaf Ede vervolgen de Polen hun weg richting Veenendaal; dat blijkt weer uit een gevechtsverslag van huzarencommandant Van de Maessen de Sombreff.

Ergens tussen Veenendaal en Maarsbergen moeten de Polen zijn overgedragen aan Nederlandse pioniers, destijds de naam voor de technische eenheden van het leger. Reserve-luitenant Snip van de pioniers meldt in een gevechtsverslag dat zijn eenheid de groep vreemdelingen achterlaat bij het station in Maarsbergen. Daar zijn krijgsgevangen Duitsers, NSB'ers en anderen, die verdacht werden van samenwerking met de Duitsers, bijeengebracht.

De volgende militair die verslag doet van zijn ontmoeting met de Polen is vrijwillig soldaat-chauffeur van het Landstormkorps Motordienst Prins. Hij vertelt dat hij in Maarsbergen verschillende diensten verrichtte. 'Onder andere het rijden van krijgsgevangenen. Hieronder waren Polen, die ontvlucht zouden zijn uit Duitse krijgsgevangenkampen'.

Tot zover de schriftelijke verslaglegging van de wederwaardigheden van de Polen . Het blijkt onmogelijk de makers ervan -voor zover ze nog in leven zijn- te spreken te krijgen over wat volgens hen verder met de Polen is gebeurd. Het Instituut voor Militaire Geschiedenis in Den Haag geeft hun adressen niet vrij. Wel worden in de verslagen soms de namen én de toenmalige woonplaats genoemd van militairen die eveneens betrokken waren bij de omzwervingen van de Polen. Dit zóuden schakels naar het verleden kunnen zijn, maar de genoemde mannen zijn niet meer in de genoemde plaatsen te vinden, of ze zijn overleden.

Schrijver Evert van de Weerd (68) van 'Ede in Wapenrok' bleek nog wel in staat een van de verslagleggers te traceren. Hij had in 1999 een telefoongesprek met Prins, de militair die de Polen op het station in Maarsbergen oppikte. Van de Weerd kreeg van de vroegere chauffeur te horen dat hij de Polen bij de roomskatholieke kerk in Culemborg afleverde. "Logisch lijkt het mij," zegt Van de Weerd, "dat Prins in Maarsbergen in zijn auto ook enkele bewakers meekreeg." Die zouden van de Vierde Compagnie Politietroepen (militaire politie) geweest moeten zijn, want die lagen in dat gebied.

Prins kan in ieder geval zijn bewering dat hij de Polen naar Culemborg bracht, niet herhalen, net zomin als hij kan bevestigen dat leden van de militaire politie meereden. Want ook Prins is inmiddels dood.

Van de Weerd en Crebolder gaan ervan uit dat leden van de militaire politie de groep vreemdelingen executeerden. De haveloze Polen zouden, zo moeten die Nederlanders aangenomen hebben, Duitsers zijn die in vermomming de boel achter de linies moesten saboteren. Helemaal ondenkbaar is die theorie niet. In de eerste oorlogsdagen liepen nogal wat verklede Duitsers in Nederland rond, veelal gehuld in namaakuniformen van de militaire politie. Vooral bruggen probeerden ze zo in handen te krijgen.

De Utrechtse historicus Jos Smeets schreef in 1997 een proefschrift over het Korps Politietroepen dat functioneerde van 1919 tot 1940, tussen de twee wereldoorlogen in. Ze werden gerekruteerd uit de beste soldaten en onderofficieren. Volgens Smeets waren de politietroepers harde jongens, bekend om hun discipline en zeer wel in staat tot het executeren van de groep vermeende Polen. "Ze hebben ook het vuur geopend op Nederlandse soldaten die van de Grebbeberg wegvluchtten. Ze hebben drie of vier deserterende soldaten gefusilleerd," zegt Smeets.

Toch heeft de Utrechtse historicus moeite met de theorie van Crebolder en Van de Weerd. Allereerst kan hij maar moeilijk geloven dat uit een kamp in Duitsland ontsnapte Poolse krijgsgevangenen door twee linies heen, de Duitse en de Nederlandse, de Veluwezoom -Wolfheze/Oosterbeek- kunnen bereiken- daar waar ze voor het eerst gezien werden.

Nog meer moeite heeft hij met de gedachtegang dat de Polen verklede Duitsers waren; dat ze als Duitse soldaten gewoon door hun eigen linie 'wandelden' en zich daarna omkleedden en zogenaamd als ontsnapte Poolse krijgsgevangenen in de Nederlandse linies terechtkwamen. In theorie kan het, zegt Smeets, maar hij vindt het tegelijkertijd wel een erg absurde redenering.

Hij houdt het daarom op een mythe, in ieder geval wat betreft het liquideren en begraven in Culemborg. Dat de Polen werden neergeschoten en begraven in Culemborg vernamen de auteurs van 'Ede in wapenrok' van Jan van Alphen. Deze 77-jarige inwoner van Deil is amateur-onderzoeker van oorlogsgebeurtenissen. Hij zegt zijn informatie al in mei 1940 te hebben verkregen van zich terugtrekkende Nederlandse legeronderdelen. Later verrichtte hij verder onderzoek waaruit gebleken zou zijn dat de groep Polen uit 21 man bestond. Ze werden volgens de man uit Deil ondergebracht in de katholieke Barbarakerk in Culemborg. Na hun executie zouden ze zijn begraven in het Rondeel, even buiten de stad.

In Culemborg zijn echter geen documenten of ooggetuigen te vinden die de beweringen van Van Alphen kunnen staven. De 80-jarige Jo van de Bogaard behoorde tot het grote gezin dat in mei 1940 op de boerderij vlakbij het Rondeel leefde. Niet eerder dan in juni van dit jaar echter hoorde hij de verhalen over het massagraf. "Het Rondeel is een vierkant van vierhonderd bij vierhonderd meter. Wij kwamen er vaak want mijn vader pachtte die grond. We maaiden met de zeis het gras voor de koeien. Als je daar een gat graaft voor twintig dode Polen, moet je daar sporen van zien. We zouden het absoluut gemerkt hebben." Dat eventuele lijken in de sloot gedumpt kunnen zijn, gelooft hij ook niet. "In opdracht van de rijksoverheid werden elk jaar de sloten leeggeschept. Ze zijn nooit op lijken gestuit. Twintig lijken bij elkaar zou trouwens een dam zijn geweest." Zijn conclusie: het is onzin dat daar Polen begraven liggen.

To van Zuilekom is ook een van die Culemborgers naar wie verwezen wordt als iemand die de oorlog heel bewust meemaakte. Ze is nu 89 jaar, in de meidagen van 1940 was ze 24, onderwijzeres en woonachtig in de binnenstad. "Ik kwam overal en heb nooit iets gezien van Polen. Wat ik bijvoorbeeld nog goed weet, is dat later Russen in Culemborg kwamen. Waarschijnlijk door de Duitsers gevangen genomen en daarna vechtend voor de Duitsers."

Op 11 mei werd een groep IJzendoorners in de Barbarakerk ondergebracht. Het iets oostelijker gelegen dorp IJzendoorn liep gevaar als gevolg van de hevige strijd om de Grebbelinie en de daarop aansluitende Betuwelinie. De IJzendoorners werden geëvacueerd naar Culemborg en de toen 14-jarige Teuntje Schuiling-Krouwel was een van hen. "In de kerk en een bijzaaltje waren absoluut geen Polen," zegt ze.

Maar waar zijn die vermeende Polen dan gebleven? Want ze zijn er wel geweest. De kans is groot dat de tijd het raadsel zal toedekken. Dat nooit bekend zal worden of het echt ontsnapte Polen waren. En of ze in Nederland de dood vonden, of dat ze zich verspreidden en in de chaos van die eerste oorlogsdagen allemaal hun weg waar dan ook naartoe vonden.

Bron: De Gelderlander
Plaats reactie